Datum: 02.09.2026
Auteur: Eleonoor Verschuere
"De thermostaat staat al jaren op dezelfde temperatuur. Niemand weet nog precies waarom."
Herkenbaar?
In veel archiefinstellingen zijn klimaatafspraken ooit zorgvuldig vastgelegd. Daarna werden ze vanzelfsprekend. De installatie blijft draaien, de temperatuur blijft dezelfde en niemand stelt nog de vraag waarom precies die instellingen nodig zijn.
Maar nu de energieprijzen stijgen en het thema 'duurzaamheid' steeds hoger op de agenda staat, dringt die vraag zich opnieuw op:
"Kunnen we energie besparen zonder onze collecties in gevaar te brengen?"
Het korte antwoord? Ja, soms wel. Maar niet door zomaar de thermostaat lager te draaien.
Duurzaam collectiebeheer begint met weten wat je bewaart, wat je gebouw aankan en welke klimaatomstandigheden effectief nodig zijn.
De mythe van het perfecte binnenklimaat
Lange tijd vertrok collectiebeheer vanuit strenge klimaatnormen. Temperatuur en relatieve luchtvochtigheid moesten zo constant mogelijk blijven en schommelingen werden liefst vermeden.
Daar was een goede reden voor. Te grote of te snelle veranderingen in temperatuur en luchtvochtigheid kunnen bepaalde materialen beschadigen.
Maar ondertussen weten we ook dat niet iedere collectie dezelfde klimaatomstandigheden nodig heeft. En dat niet iedere afwijking meteen schade veroorzaakt. Onderzoek vanaf de jaren 1990 toonde bijvoorbeeld aan dat sommige materialen minder kwetsbaar zijn voor beperkte klimaatschommelingen dan lange tijd werd aangenomen.
Wat goed werkt voor een gekoeld audiovisueel depot, is niet noodzakelijk de beste oplossing voor een gemeentearchief in een historisch gebouw.
Dat inzicht is belangrijk. Want het voortdurend nastreven van zeer strikte klimaatwaarden vraagt veel energie. Vooral HVAC-installaties (heating, ventilation, and air conditioning) kunnen een belangrijke energieverbruiker zijn binnen collectiebeherende instellingen.
De vraag wordt daarom niet langer alleen:
"Hoe houden we het klimaat zo constant mogelijk?"
maar ook:
"Hoe stabiel moet het voor onze collectie echt zijn?"
Niet elk depot vraagt dezelfde aanpak
Archiefinstellingen beheren vaak verschillende soorten materiaal: papier, foto's, audiovisuele dragers, digitale opslagmedia of zelfs 3D-objecten in gemengde collecties.
Elk type materiaal (organisch of anorganisch) reageert anders op temperatuur en relatieve luchtvochtigheid.
Daarom loont het om niet alleen naar het gebouw als geheel te kijken, maar ook naar afzonderlijke ruimtes én naar de collecties die er worden bewaard.
Vraag jezelf af:
- Welke collectiestukken zijn het meest kwetsbaar?
- Welke ruimtes vragen de strengste klimaatomstandigheden?
- Kunnen verpakkingen of kasten extra buffering bieden?
- En waar houden we misschien strengere waarden aan dan nodig?
Met andere woorden: duurzaamheid begint bij het kennen van je collectie!
Meten is weten
"We denken dat het klimaat stabiel is."
Denken is niet weten.
Veel archieven verzamelen vandaag al klimaatgegevens, maar gebruiken die informatie niet altijd actief. De cijfers verdwijnen soms in een databestand waar nadien nog zelden iemand naar kijkt.
En net daar ligt een kans!
Monitoring kan helpen om patronen op te sporen en keuzes beter te onderbouwen.
Kijk niet alleen of een waarde "goed" of "fout" is, maar zoek naar patronen:
- Wanneer draait een installatie het hardst?
- Wat gebeurt er tijdens een hittegolf?
- Hoe reageert een depot wanneer de verwarming 's nachts anders wordt ingesteld?
- Hoe snel verandert de relatieve luchtvochtigheid in werkelijkheid?
Misschien blijkt een ruimte veel stabieler dan verwacht. Misschien werkt een installatie harder dan nodig. Of misschien bevestigen de gegevens juist dat je bepaalde grenzen absoluut niet kunt versoepelen.
Data vertellen je niet automatisch wat je moet doen. Ze helpen je wel om niet langer op gewoontes te sturen.
Van theorie naar praktijk
In de vakliteratuur (zie leeslijst) wordt een klimaatstrategie beschreven waarbij een bewaarinstelling niet het hele jaar exact 21 °C probeert aan te houden. De temperatuur mag geleidelijk variëren van ongeveer 20 °C in de winter tot 22 °C in de zomer. Volgens die studie kan zo'n aanpak een jaarlijkse energiebesparing van ongeveer 6 tot 13% opleveren.
Dat betekent natuurlijk niet dat ieder archief morgen exact die waarden moet overnemen. Elke collectie, elk gebouw en elke installatie is anders.
Het toont wél aan dat een klimaatinstelling die ooit werd gekozen, niet automatisch voor altijd de beste instelling blijft.
Maar hoe kan duurzaam klimaatbeheer er in de praktijk nog uitzien?
A) Soms doet het gebouw het werk
Een bijzonder voorbeeld uit Vlaanderen vinden we in Ieper.
Erfgoeddepot Depotyze werd ontworpen volgens het zogenaamde Deens Model. In plaats van het binnenklimaat hoofdzakelijk met technische installaties te corrigeren, speelt het gebouw zelf een belangrijke rol.

Fig. 1 - Erfgoeddepot Depotyze in Ieper. Foto: Piet-Albert Goethals.
Sterk geïsoleerde buitenschillen beperken de invloed van het buitenklimaat. De vloerplaat werkt mee als temperatuurbuffer en de grote binnenruimtes zorgen voor een trage luchtcirculatie. Daardoor zijn in de gewone depotruimtes geen klassieke installaties nodig om voortdurend een stabiel binnenklimaat te produceren. Alleen het metaaldepot beschikt over een ontvochtigingsapparaat om de relatieve luchtvochtigheid op het gewenste niveau te houden.

Fig. 2 - Schematische voorstelling van het Deens Model zoals toegepast bij Erfgoeddepot Depotyze.
Techniek verdwijnt er dus niet helemaal. Ook monitoring blijft belangrijk: het binnenklimaat in de opslagruimtes wordt continu gelogd.
De achterliggende gedachte is eigenlijk eenvoudig:
Probeer een goed binnenklimaat eerst bouwkundig en passief te ondersteunen, voordat techniek alles moet corrigeren.
Natuurlijk kan niet iedere archiefinstelling morgen een nieuw depot bouwen. Historische gebouwen, beschermde panden, beschikbare ruimte en beperkte budgetten laten zulke ingrepen vaak niet toe.
Depotyze is daarom geen blauwdruk die zomaar overal kan worden toegepast. Het voorbeeld nodigt vooral uit om anders naar het eigen gebouw te kijken.
Stel jezelf eens de vraag:
"Kan ons gebouw meer voor ons doen, zodat onze installaties minder moeten doen?"
B) En wat als nieuwbouw geen optie is?
Dan blijven er gelukkig nog heel wat andere mogelijkheden.
Ook voorbeelden uit de museumsector kunnen archiefinstellingen daarbij inspireren. Musea en archieven zijn natuurlijk niet hetzelfde, maar ze delen wel een aantal uitdagingen: historische gebouwen, kwetsbare collecties, hoge beheerskosten en soms beperkte mogelijkheden om de infrastructuur ingrijpend aan te passen.
- M Museum Leuven investeerde bijvoorbeeld in zonnepanelen en warmtekrachtkoppeling. Daarbij wordt restwarmte teruggewonnen en verder benut.
- In het MSK in Gent werd de temperatuur met één graad verlaagd en werd bijna alle verlichting vervangen door energiezuinige ledverlichting.
- Ook Museum Plantin-Moretus laat zien hoe kleinere ingrepen samen een verschil kunnen maken. Daar werd onder meer gewerkt met tochtstrips aan oude deuren. Op sluitingsdagen ging de verlichting uit.
Geen spectaculaire verbouwingen dus. Wel een reeks bewuste keuzes.
Beredeneerde zorg
Wat kunnen we uit al die voorbeelden meenemen?
Er bestaat niet één duurzame oplossing die voor iedere bewaarinstelling werkt.
Duurzaam collectiebeheer betekent ook niet dat we minder zorgvuldig met ons erfgoed moeten omgaan. Integendeel. Het vraagt dat we preciezer bepalen welke zorg waar nodig is.
- Niet automatisch het strengste klimaat kiezen.
- Niet zomaar de temperatuur verlagen.
- Niet blind vertrouwen op techniek.
- Maar meten, evalueren, risico's afwegen en daarna pas beslissen.
Want een installatie die dag en nacht tegen het gebouw probeert te vechten om een theoretisch perfecte waarde te bereiken, staat niet automatisch gelijk aan betere collectiezorg.
Soms is het vooral… heel veel energie.
Het reflectiekader
Deze 'groene reeks' sluiten we telkens af met een duidelijk reflectiekader. Dit kader kan je gemakkelijk zelf hanteren binnen je eigen werking.
Neem vijf minuten de tijd en stel jezelf (of samen met je collega's) de volgende vragen:
- Weten we waarom onze huidige klimaatinstellingen zijn gekozen?
- Welke klimaatgegevens verzamelen we vandaag, en wat doen we ermee?
- Zijn alle ruimtes in ons gebouw even kritisch voor collectiebehoud?
- Waar zitten de grootste energieverbruikers?
- Welke aannames maken we vandaag zonder ze regelmatig opnieuw te evalueren?
Misschien ontdek je dat collectiezorg en milieuzorg geen twee aparte opdrachten zijn, maar twee kanten van dezelfde langetermijnzorg.
Succes!
Verder lezen?
- Ankersmit, Bart. Klimaatwerk: Richtlijnen Voor Het Museale Binnenklimaat. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2009.
- ASHRAE. 2019 Ashrae Handbook: Heating, Ventilating, and Air-Conditioning Applications. Atlanta: ASHRAE, 2019.
- Ashrae Handbook Hvac Applications - Chapter: Museums, Galleries, Archives, and Libraries." ASHRAE, 2023
- "Culture and Creative Sectors and Industries Driving Green Transition and Facing the Energy Crisis." Voices of Culture, 2023, https://voicesofculture.eu/.
- Glaser, Leah S. Interpreting Energy at Museums and Historic Sites. Rowman & Littlefield, 2022.
- International Institute for Conservation (IIC). Environmental Guidelines.
- Verschuere, E. (2023). Wat is het gevolg van de energiecrisis voor Vlaamse kunstmusea én hun bezoekers? Onuitgegeven masterscriptie, Katholieke Universiteit Leuven.
Technische keuzes alleen volstaan niet. In het derde en laatste artikel bekijken we hoe je medewerkers, vrijwilligers en bezoekers meekrijgt in jouw duurzaamheidsverhaal.
Hulpcentrum